Pianosonates door de jaren heen

Bart de Graaf, April 2008

Weinig componisten hebben over zo’n lange tijdspanne pianosonates geschreven als Joseph Haydn. Hoeveel sonates hij precies heeft geschreven, zal wellicht nooit helemaal duidelijk worden, maar het zijn er waarschijnlijk ongeveer 62. In deze tekst treft u de meest spraakmakende exemplaren aan, voorzien van een beknopte toelichting.

Het grote aantal sonates dat Haydn componeerde maakt het mogelijk ontwikkelingen in het componeren van de Oostenrijkse componist waar te nemen. Interessant is dat deze ontwikkelingen te plaatsen zijn in een algemeen historisch kader; Haydns eerste sonates stammen uit de tijd van Carl Philipp Emanuel Bach (1714-1788), en verraden zelfs nog invloeden van Palestrina (1525-1594), de latere sonates bevatten duidelijk de expressiviteit en subjectiviteit die de Weense klassieken kenmerkten. Uiteindelijk stierf Haydn zelfs pas in de tweede helft van het leven van Beethoven (1770-1827), en was de Romantiek al duidelijk terug te vinden in zijn oeuvre. In deze tekst zullen, zonder volledigheid na te streven, enkele representatieve passages van bijzondere sonates de revue passeren, teneinde een overzicht te schetsen van hoogtepunten binnen Haydns sonates. Het overzicht zal ontegenzeggelijk aan waarde winnen, wanneer de besproken passages middels een partituur of een opname worden bestudeerd.

De opening van Haydns eerste sonate (Hob. 8, G groot) lijkt onderhevig aan invloed van de Mannheimer School1.  Dat komt vooral naar voren door de gebroken drieklanken waarmee de sonate begint. Opvallend is vervolgens dat er geen overgangszin tussen het eerste en tweede thema is. In het tweede thema geeft Haydn de bas op een inventieve manier melodische waarde: door de repeterende noot in de bovenstem wordt de onderstem, die normaliter slechts van harmonische waarde zou zijn, een volwaardig thema. In de verwerking smeedt Haydn het eerste en tweede thema fraai samen: het gepunteerde motief van het eerste thema en de ‘offbeat’ van het tweede.

Waar de eerste sonate derhalve nog flink onder invloed staat van de Mannheimer School is dat in de dertiende sonate (Hob. 6, G groot) en de daarop volgende werken minder duidelijk aanwijsbaar. Welke invloeden er wel ten grondslag liggen aan de opvallende ontwikkeling die Haydn vooral in deze dertiende sonate laat horen, is evenmin met zekerheid vast te stellen. Het staat echter vast dat Haydn in dit werk een avontuurlijke weg inslaat: een grote rijkdom aan materiaal en ritmische vindingen. Pure vindingrijkheid lijkt Haydn ertoe te hebben bewogen een harmonisch ondersteunende, maar tegelijkertijd melodisch volstrekt onafhankelijke baslijn te plaatsen in het eerste thema. De volgende verrassing dient zich aan in maat 5: het tweede thema lijkt er te beginnen. Dit is uiteraard veel te vroeg voor een conventionele sonate. Haydn speelt in het eerste deel, dat zich ontpopt als een uit een gebalanceerde set elkaar soms overlappende motieven bestaand deel, nadrukkelijk met de sonatevorm. Op zo’n gewaagde manier was dat toen nog maar zelden gebeurd. De vertrouwde sonatevorm lijkt halverwege het eerste deel terug te keren door een herhaling van het openingsthema. Al snel wijkt Haydn echter af van het thema, en ontstaat een mysterieuze passage die het midden houdt tussen reprise, verwerking en variatie. 

De 31ste sonate (Hob. 46, As groot) is ook zeker het vermelden waard. In vergelijking met de voorgaande sonates is dit een reusachtig exemplaar. Met alleen al een verwerking van 39 maten, en het gebruik van het volledige toetsenbord van de piano, is sprake van een imponerend staaltje compositie. Wat hier eveneens aan bijdraagt, is de bijzondere opzet van het eerste deel; het begint met twee rustige cadenzen, en ontwikkelt zich, hoewel dikwijls anders uitgevoerd en tegen de verwachtingen van dat moment in, tot een uiterst energiek geheel. Een dergelijke is duidelijk gebaseerd op de Sturm und Drang2.  Een dergelijke fantasievolle ontvouwing van het eerste deel bood een flinke vrijheid, zowel op vormgebied als op harmonisch gebied. Haydn maakt van deze vrijheid gretig gebruik in de 31ste sonate. Ook veel ritmische variatie en zelfs verregaande chromatiek schuwt hij niet in dit werk. Het tweede thema onderscheidt zich van de meeste voorgaande tweede thema’s door een bijzondere toespitsing op de hoge registers van de piano. Het afsluitende deel contrasteert met de twee emotioneel geladen voorgaande delen.

Na de 31ste sonate schreef Haydn een aantal sonates die niet zo veel om het lijf hadden. Waarschijnlijk komt dat doordat hij ze schreef als lesmateriaal voor amateurs. Deze sonates hebben niettemin een flinke artistieke waarde, maar het eerste grote en complexe werk vormt sonate nummer 44 (Hob. 29, F groot). Het eerste deel, moderato, onderscheidt zich niet alleen door een grote ritmische vindingrijkheid, maar ook klinken dramatische modulaties, zoals Haydn ze voordien zelden schreef. Alleen al het eerste thema vraagt aandacht vanwege de fraaie combinatie van een gepunteerd ritme en daarop volgend een opvallend lyrische frase. Verder in de expositie bedient Haydn zich, meer dan in zijn meeste voorgaande stukken, van veel arpeggio’s. Voornaamste wapenfeit van de verwerking is de snelle en plotse omschakeling van het vreugdevolle C majeur naar het duistere g mineur. Slechts twee harmonische tussenstations heeft Haydn nodig voor deze modulatie: As groot en een verminderd septiemakkoord. Het onstuimige begin van deze sonate verraadt een grote invloed van de Sturm und Drang. Deze stroming zou een blijvende invloed op Haydn hebben. Zo schreef hij zijn 49ste sonate (Hob. 36) in de toonsoort cis klein, een typische Sturm und Drang-toonsoort. In het tweede deel van de 44ste sonate klinkt een veelheid aan bijzondere harmonische wendingen, en dit deel toont duidelijk hoe creatief en gedurfd Haydn in de loop van zijn componerende leven is gaan schrijven. 

Niet lang na het schrijven van de 49ste sonate leek Haydn zijn interesse in de sonate te verliezen. De werken die hij schreef, waren in het gunstige geval niet zo omvangrijk, en in het ongunstigste geval oninteressant. Haydn zou daarna in opdracht van uitgever Breitkopf een vijftal sonates schrijven, en hoewel het bij de 58ste (Hob. 48, C groot) bleef, had Breitkopf zeker geen reden tot ontevredenheid; in dit werk lijkt Haydn zich weer volledig op de pianosonate te hebben gestort. Het eerste deel, andante con espressione (!), bestaat uit variaties en kenmerkt zich door een opvallend veelvuldige afwisseling van majeur- en mineurtoonsoorten. Het openingsdeel is zeer rijk aan materiaal; tot in detail geeft Haydn aan hoe hij wil dat de uitvoerder alle mogelijke karakters en kleuren van de diverse toonsoorten in alle registers van de piano etaleert. In feite zou adagio beter bij dit werk passen, want dat geeft de ongekende diepgravendheid van het tweede deel beter weer. Opmerkelijk genoeg behoort de sonate niet tot Haydns meest gespeelde werken. Mogelijk hangt dit samen met het feit dat het uit slechts twee delen bestaat.

De laatste drie sonates vormen een opvallende set; terwijl de nummers 60 en 62 groots en symfonisch van opzet zijn, is de 61ste een bescheiden, charmant werk. Nummer 60 (Hob. 50, C groot), bijgenaamd The English3, onderscheidt zich door de hoogste noten van het instrument te gebruiken. Dat is zo uitzonderlijk dat bijvoorbeeld Beethoven de hoogste noot pas voor het eerst in zijn sonates gebruikte in de Waldstein-sonate, opus 53. Het bijzondere harmonische traject dat de sonate in de verwerking aflegt, is ook zeker het bestuderen waard. Vertrekkend vanaf B groot belandt het werk via een uiterst exotische route in E groot. Op deze harmonische weg gaat Haydn zeer chromatisch te werk, en rekt hij de tonaliteit behoorlijk uit. Curieus is dat alleen het coda in de dominant-toonsoort staat; het tweede thema staat in de tonica.

Zoals gezegd is de 61ste sonate (Hob. 51, D groot) een bescheidener werk dan de twee omringende sonates. Bijzonder is wel dat het tweede thema nadrukkelijk een brug vormt tussen het eerste en het coda; het is een variatie op het eerste thema, en biedt ritmisch materiaal voor het coda. De verwerking in het eerste deel van deze sonate lijkt meer op een (bewerkte) herhaling van de expositie dan op een daadwerkelijke verwerking. Na het zangerige tweede deel, doet het afsluitende deel sterk denken aan Beethoven; met veel niet op de tel geplaatste sforzandi is Haydn in dit opzicht nog nimmer zo experimenteel geweest.

In feite geldt voor de 62ste sonate (Hob. 52, Es groot) alles wat over de 60ste ook is gezegd. Bovendien vraagt deze sonate in technisch opzicht veel van de uitvoerder; virtuoze toonladders en andere figuren zijn in Haydns componerende leven nog maar zelden zo talrijk geweest als in deze sonate. Met de genoemde verschijnselen in de laatste sonates (chromatiek, virtuoziteit en beginnende vormvrijheid) was Haydn zijn tijd ver vooruit, en zette hij de deur open naar ontwikkelingen die later zouden plaatsvinden.

Voetnoten:

1 De Mannheimer school is een groep componisten te Mannheim die halverwege de achttiende eeuw een belangrijk aandeel had in de ontwikkeling van het het orkestspel en de symfonische vorm.
2 De Sturm und Drang is een muzikale en literaire stroming uit de tweede helft van de achttiende eeuw waarin de passie voor de natuur en de menselijke driften centraal staan. De radio (het verstand) speelt hierbij dus een sterk ondergeschikte rol.
3 De sonate werd geschreven ten tijde van Haydns tweede verblijf in Engeland.

Bronnen:

McCabe, John, Haydn’s Piano Sonatas (Londen: BBC Publications, 1986)
Thysse, W. H., Jozef Haydn (Haarlem: Gottmer, 1948)